
Zijn alle mensen kinderen van God? Want God wil toch dat alle mensen zalig worden? Want de hel is toch voor de satan en zijn engelen bedoeld?
In 2 Petrus 3:9 staan de volgende woorden:
“De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.”
Dit hoofdstuk in Petrus spreekt over de wederkomst van Christus en de uiteindelijke hemel en aarde. In vers 3 geeft Petrus weer dat in het laatste der dagen (sinds de opstanding van Christus) spotters zullen komen en niet meer geloven in de wederkomst van Christus (vers 4).
De belofte van Zijn Wederkomst staat vast zoals in vers 9 staat; de Heere vertraagt de belofte niet namelijk die van Zijn Wederkomst.
Het eerste agendapunt op Gods agenda is de opname van de gemeente en tot die tijd is de Heere lankmoedig over de mensheid. Niet willende dat één iemand verloren gaat maar dat zij allen tot bekering komen. In het evangelie heeft God Zijn rechtvaardigheid betoond door Zijn Zoon Jezus Christus (Rom 1:16; Rom 3:20).
Dit houdt in dat de natuurlijke zondige mens weer recht kan staan tegenover God op grond van het werk van Christus Jezus. De toegang is sindsdien vrij voor elk mens hier op aarde om tot God te naderen. God verleent genade via Zijn Zoon Christus Jezus. Deze genade schenkt allereerst eeuwig leven en daarna het Leven uit genade. Deze genade is gratis en om niet en is beschikbaar voor elk mens:
Titus 2:11: “Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen.”
Dit vers laat zien dat de genade Gods voor elk mens bestemd is en elk mens daar deel aan kan krijgen. In het volgende vers in vers 12 staat dat deze genade slechts een deel van de mensen onderwijst namelijk aangeduid met het woord “ons”. Dit zijn de gelovigen die deel hebben gekregen aan de genade Gods. De gelovigen leven uit de genade van God.
De Heer zegt in Efeze 1:3 dat Christus uitverkoren is van voor de nederwerping der wereld. Christus is Degene die onvergankelijk leven tot stand brengt. Efeze 1:4 zegt: “Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld.” Dit woord “ons” duidt wederom op de gemeente, Zijn Lichaam. Christus, het Hoofd, is uitverkoren en Zijn Lichaam hoort hierbij en vormt éénheid. Door middel van prediking van het Evangelie dat de zaligmakende genade verschenen is aan alle mensen, komen mensen tot geloof in Christus en worden zij toegevoegd aan de gemeente. Romeinen 8 leert dat wij kinderen Gods zijn wanneer wij tot geloof komen en vervolgens begint onze aanneming tot zonen (Romeinen 8:14-17).
De gelovigen vandaag de dag zijn kinderen van God, de weg is vrijgemaakt om te komen tot Christus en de genade is verschenen aan alle mensen. Helaas willen niet alle natuurlijke zondige mensen hier deel aan hebben want het evangelie wordt door velen afgewezen. Het bekende hoofdstuk uit Johannes 3 laat dit duidelijk zien:
Johannes 3:19: “En dit is het oordeel, dat het licht (Christus) in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos.”
Johannes 3:36: “Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwig leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.”
Deze laatste tekst uit Johannes 3 moet duidelijk zijn namelijk dat men eeuwig leven verkrijgt wanneer met gelooft in de Zoon (Christus). De vraag die dan vaak gesteld wordt is: Gaat het geloof dan van de mens uit? Nee, zoals hierboven uitgelegd is, is de weg vrijgemaakt door Jezus Christus. Want van nature is elk mens de dood schuldig en is hij niet in staat om uit zichzelf tot God te komen.
Maar slechts op grond van het verlossingswerk kan men gerechtvaardigd worden en vrede ontvangen bij God door Christus (Rom 5:1). De mens heeft een vrijwillige keuze om hier deel aan te hebben. Wanneer men dit niet wil zal men het leven niet zien. Niet alle mensen zijn dus kinderen Gods.
Lukas 9:56 zegt hetzelfde als bovenstaande namelijk dat de Zoon des Mensen (Christus) gekomen is naar deze wereld om nieuw leven tot stand te brengen; daardoor worden mensen alleen behouden. Het probleem ligt bij de mens zelf die van nature niet wil.
Mattheus 25:41 maakt onderdeel uit van een lange redevoering van de Heer over zijn wederkomst. Mattheus 24 en Mattheus 25 beschrijven gebeurtenissen welke voornamelijk plaats vinden na de opname van de gemeente tot aan het begin van het koninkrik van Christus hier op aarde (1000 jaren). De tekst welke aangehaald is in de vraag spreekt over wie binnengaan in het koninkrijk hier op aarde. Dit is een ander onderwerp.
In openbaringen 20 lezen wij over het laatste oordeel en zien we ook wat de hel inhoudt. Hier lezen we wederom dat wanneer iemand niet gevonden werd in het boek des levens, hij geworpen wordt in de poel des vuurs (vers 15). Vanuit de hel wordt je geworpen in de poel des vuurs (vers 14) waardoor je verdwijnt en niet terecht komt op de nieuwe hemel of aarde (dit zijn veel uitgebreider onderwerpen).
Degenen die niet geloofd hebben in de opgestane Heer (Johannes 3) zullen het leven niet zien en komen terecht in de hel (de eerste dood). De hel is een oud Nederlands woord voor een schuilplaats of anders gezegd het dodenrijk. In het Hebreeuws is dit voornamelijk het woord ‘Sjeoel’ wat vaak vertaald wordt met graf (of datgene wat onder de aarde is). In het Grieks heet dit dan ‘Hades’. Men komt hierin terecht wanneer men de Heer afwijst.
Zoals 2 Petrus 3 zegt is de Heer lankmoedig en is er nog steeds de kans om tot erkenning van de waarheid te komen, het evangelie wordt nog steeds gepredikt en daarom is ook de oproep: “Laat u met God verzoenen” (2 Kor.5:20)