De vraag:

In Ezechiël 2:9 staat dat Ezechiël de boekrol moet opeten die hij van God kreeg. Wat betekent dit? At hij werkelijk de boekrol op?

Het antwoord:

Eten, hebreeuws: ‘âkal. Wat je eet neem je tot je, en betekent dat je je er mee vereenzelvigt, het opneemt, op eet.

Het woord kan ook vertaald worden met consumeren, of aanzitten met (-dine with- Gen. 43:16 word ‘âkal gebruikt).
Zoals het eten (‘âkal) van de boom van kennis van goed en kwaad… het eten van de vrucht zelf is één ding, en doet op zichzelf niks… echter waar de boom en vrucht van die boom voor ‘staat’ in Gods woord (wet / kennis goed-kwaad / dood / oude verbond enz. enz.), word men door het eten daarvan, vereenzelvigt met waar de boom voor ‘staat’. Ofwel, het zijn niet beelden van de zaken zelf, maar schaduwen van toekomende goederen (Hebr. 10:1), of ook wel genoemd dingen die een andere beduiding hebben (Gal. 4:24)

Eze 2:10 En Hij spreidde die voor mijn aangezicht uit; en zij was beschreven voor en achter; en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting, en wee.

Het blijken woorden te zijn, beschreven voor en achter, die zou hij tot zich nemen. En dat doet hij dan ook, fysiek? Nee, woord neem je tot je, je ‘eet’ het, maar niet door het papier en inkt letterlijk op te eten. Je eet het via je oren 🙂

Eze 3:2 Toen opende ik mijn mond, en Hij gaf mij die rol te eten.
De (boek) rol -> woorden Gods, zou hij tot zich nemen (zie ook Eze 3:10), of consumeren, met een doel, namelijk die woorden die hij tot zich nam te spreken tot het huis Israels:
Eze 2:7 Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn wederspannig.
Eze 3:4 En Hij zeide tot mij: Mensenkind, ga henen, kom tot het huis Israels, en spreek tot hen met Mijn woorden.

Wat dat woord inhoudt lezen we in vers 3, het woord van God blijkt -zoals altijd- zoet te zijn in de mond, als honing… (komen we zo op terug)
Eze 3:3 En Hij zeide tot mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, en vul uw ingewand met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik, en het was in mijn mond als honig, vanwege de zoetigheid.

Dit brengt ons meteen bij de vraag, wat betekent dit? Het zijn immers dingen die een andere beduiding hebben… als ik de vraag goed interpreteer gaat het niet om de inhoud en betekenis van de boodschap die Ezechiël moet brengen, maar het eten van de rol, en de betekenis daarvan.

We komen het eten van de rol (woorden Gods) ook tegen in Openbaringen. Daar word de rol een ‘boeksken’ dat Johannes zou eten. Ook met als doel: woorden Gods doorgeven / profeteren voor vele volken… Kortom: Precies hetzelfde verschijnsel als Ezechiel 2:7-10 / 3:1-3

Openb. 10:8 En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij, en zeide: Ga henen, neem het boeksken, dat geopend en in de hand des engels is, die op de zee en op de aarde staat.
Openb. 10:9 En ik ging henen tot den engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honig.
Openb. 10:10 En ik nam dat boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.
Openb. 10:11 En hij zeide tot mij: Gij moet wederom profeteren voor vele volken, en natien, en talen, en koningen.

Ezechiel zou zijn buik vullen (Eze 3:3) echter zijn de woorden Gods als honing in de mond. Logisch de woorden Gods zijn niet voor de buik.. het aardse, het vlees.
-Dat de buik het aardse / vleselijke uitbeeld: Ps 44:26, Jona 2:2, Mat. 15:17, Fil. 3:19

In Openbaringen word dat helemaal duidelijk. Gods woord is bitter voor de buik, en zoet als honing voor de mond Openb. 10:9
-Dat de mond-gehemelte, het hemelse / geestelijke uitbeeld: Ps 119:103, Spr. 24:13

Daarmee is Gods woord (de boekrol, of boeksken) een tweesnijdend scherp zwaard (Hebr. 4:12) en maakt daarmee onderscheid tussen vlees, en geest. Waardoor de woorden Gods bitter voor de buik (aardse) zijn, en zoet voor het gehemelte (geestelijke).
(Zijlijn: bitter en zoet staan daarmee ook tegenover elkaar.. lees eens de geschiedenis te Mara, exodus 15)

Wij zouden dan ook bedenken wat des geestes is (gehemelte), want het bedenken des vleses (buik) is de dood, en vijandschap tegen God.

Rom 8:5 Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is.
Rom 8:6 Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;
Rom 8:7 Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.
Rom 8:8 En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen.
Rom 8:9 Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.

Wanneer we de honing tot ons nemen, bedenken wat des geestes is, niet zien op het aardse, hebben we verlichte ogen, en mogen we Zijn heerlijkheid zien!
Net als Jonathan (weer een geschiedenis met een ‘andere beduiding’ -waarbij Saul, beeld van de wet- natuurlijk niet wil dat men van de honing zou eten… Rom 8:5-9)
1Sa 14:27 Maar Jonathan had het niet gehoord, toen zijn vader het volk bezworen had, en hij reikte het einde van den staf uit, die in zijn hand was, en hij doopte denzelven in een honigraat; als hij nu zijn hand tot zijn mond wendde, zo werden zijn ogen verlicht.
1Sa 14:29 Toen zeide Jonathan: Mijn vader heeft het land beroerd; zie toch, hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van dezen honig gesmaakt heb;

Daarom:
Spr. 24:13 Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
Spr. 24:14 Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning (een vol loon…) wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.

Opdat:
Ef. 1:17 Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis;
Ef. 1:18 Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen; (een vol loon…)

Eet je mee van Zijn woord📜?
voor je oude mens/vlees/buik is het 🤢
voor je nieuwe mens/geest/mond is het🍯

Beantwoord door:

Deel dit op:

Meer vragen en antwoorden:

Ook een vraag?

Mag ook een andere naam of gebruikersnaam die anoniem is.
Zodra de vraag online staat, sturen wij een e-mail. Heb je geen e-mailadres ingevuld? Houd dan onze website en socials in de gaten.