Zien we onze geliefden terug in de hemel?

De vraag:

Zien we onze geliefden terug in de hemel?

Het antwoord:

Gen 1:1 In den beginne schiep God den hemelen (shâmayim = twee hemelen) en de aarde.
Namelijk de hemel van de vogels, en de hemel van het uitspansel.
De hemel der hemelen (die van ouds is Ps. 68:34), of ook genoemd de derde hemel (2 kor 12:2) is er altijd al geweest, en zal er altijd zijn. En ga er gemakshalve vanuit dat u deze hemel bedoeld, en we daar onze (uitsluitend gelovige) geliefden al dan niet terug zouden zien.

In de bijbel komen we meermaals teksten tegen die dit onderwerp raken, en waar gestorven mensen al dan niet naar toe gaan. Echter blijkt er onderscheid te zijn tussen ‘oud testamentische gelovigen’, ofwel gelovigen van voor de opstanding van Jezus Christus, en ‘nieuw testamentische gelovigen, ofwel gelovigen van na de opstanding van Jezus Christus.

Oud testamentische gestorvenen, komen terecht in het dodenrijk (Sheol – veelal vertaald met graf) zowel gelovigen als ongelovigen. Waar ook herkenning blijkt te zijn.
Bijvoorbeeld de (ongelovige) koning van Babel word bespot als hij in het dodenrijk (Sheol) terecht komt. Zo van: Jij ook hier, was je niet de koning? (Jes. 14:15-16)
De (gelovige) koning Hizkia zei: ‘Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs (Sheol) heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren’ Jes. 38:10
Of Jakob wanneer hij hoort over Jozef’s dood (Gen. 37:35), of Job in Job 14:13
Wanneer David’s zoon sterft, zegt David: zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen. (2 Sam. 12:23)
Ten laatste in Luk. 16 word ons duidelijk gemaakt dat de rijke man en Lazarus zich bevinden in het dodenrijk, waar blijkbaar scheiding is tussen een ‘goede kant’ (schoot van Abraham) en ‘slechte kant’ (hades / hel) d.m.v. een kloof.

Echter deze en alle andere gelovigen van voor de opstanding van Jezus Christus, hebben gelooft, maar de belofte (nog) niet verkregen.

Abraham keek er naar uit (Joh. 8:56), en de profeten onderzochten op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus beduidde:
1 Petr. 1:10 Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied;
1 Petr. 1:11 Onderzoekende, op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
1 Petr. 1:12 Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest, Die van den hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.

Die ‘ons’ nieuw testamentische gelovigen bedienden die dingen waarvan zelfs de engelen begerig zijn in te zien. Hebr. 11 waar veel oud testamentische gelovigen als voorbeeld genoemd worden, vat bovenstaande uiteenzetting mooi samen:
Heb 11:39 En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen;
Heb 11:40 Alzo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.

Waarbij duidelijk is dat gelovigen van onze bedeling, ofwel nieuw testamentische gelovigen, een andere positie hebben, ten opzichte van oud testamentische gelovigen.

Anders dan gelovigen in het Oude Testament, zijn leden van de Gemeente van Christus nu al in de (derde) hemel. Wij zijn immers met Hem mede opgewekt en gezet in de hemel? (Ef. 2:6) En zijn getrokken uit deze wereld, en gezet in het koningkrijk van Hem. (Kol. 1:13)

Paulus laat er geen enkele twijfel over bestaan in Fil. 3:20 Maar onze wandel (politeuma, ofwel ons burgerschap, daar waar we ingeschreven staan) is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus;

Nergens in de bijbel staat dat nieuw testamentische gelovigen zouden moeten wachten op ‘de hemel’, wel staat er dat we er nu al (gezet) zijn. De gemeente heeft een bijzondere positie, die er dus voor de opstanding van Jezus Christus niet was. Daarom bevonden de rijke man en de arme Lazarus uit de gelijkenis zich beiden in het dodenrijk, maar wel op verschillende plaatsen.

Om wat praktische passages te noemen aangaande herkenning na opstanding uit de dood, zien we dat Jezus Christus na zijn opstanding duidelijk herkent en gezien is. Van velen, zelfs meer dan vijfhonderd op eenmaal (1 Kor. 15:6)

Bij de verschijning aan de discipelen is er eerst enige twijfel, of ze een geest zagen:
Luk 24:38 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?
Luk 24:39 Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.
Luk 24:40 En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.

De verschijning aan de zee van Tiberias laat ook geen twijfel bestaan over het herkennen van de opgestane Jezus Christus:
Joh 21:12 Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere was.

In Luk 20:30-36 lezen we over de sadduceeën die Jezus vragen stellen aangaande de opstanding, en relaties tot elkaar. Waaruit Jezus’ antwoord blijkt dat huwelijken na de opstanding uit de doden geen rol meer speelt. Ze zijn dan ‘kinderen Gods’. De vraag van de Sadduceeën komt eigenlijk neer op aardse dingen bedenken, die anders wandelen (Fil. 3: 18-19) echter onze wandel (burgerschap) zou in de hemel zijn (Fil. 3:20) en zouden dus de dingen bedenken die boven zijn (Kol. 3:2)

Wij zijn met Hem gestorven, en begraven, en door geloof met Hem opgestaan. En daarbij gezet in de hemel. Deel gekregen aan Zijn opstandingsleven, ofwel zijn Geest. Die Geest die Hij als eerste kreeg. (Daarvoor was de Geest nog niet. Joh 7:39) Die Geest krijgt de gelovige deel aan, direct, nu al, zonder eerst lichamelijk te sterven. En is daarmee gezegend met elke Geestelijke zegening in Christus, IN DE HEMEL. (Efez. 1:3)

Door ons aardse lichaam zitten we (nog) vast aan deze tastbare wereld. Paulus wenst verlost te zijn van deze tweestrijd: ‘Het leven is mij Christus, en sterven is mij gewin. Om ontbonden te worden en met Christus te zijn, is mij verreweg het beste’ (Fil. 1: 21-23)
Door de aardse belemmeringen ‘zien wij nu als in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.’ (1 Kor. 13:12 )

Het is slechts een kwestie van tijd, want we weten wat we zijn zullen:
‘Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. (1 Joh. 3:2)’

Dan zullen we met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (Kol. 3:4)
Waarbij de gemeente met Hem zal heersen, als koningen en priesters (Openb. 5:9).
1 Kor. 6:2 Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtzaken?
1 Kor. 6:3 Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?

Petrus had alles verlaten (zelfs zijn ‘geliefden’), en was Hem gevolgd

Mat 19:28 En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.
Mat 19:29 En zo wie zal verlaten hebben, huizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven.

Wat een toekomst staat ons te wachten, die gaat om Hem, onze Heere Jezus Christus. Hem te mogen zien zoals Hij is. Van aangezicht tot aangezicht.
Zullen we onze geliefden herkennen? Natuurlijk, daar kan geen twijfel over bestaan, we zullen zien, kennen, zijn zoals Hij is, heerlijkheid bekleden, Hem gelijk zijn, zouden we onze geliefden dan niet herkennen? Wanneer we mogen aanzitten aan Zijn tafel (in de hoogste betekenis hiervan) in de hemel, als zijn lichaam, en mogen drinken van de nieuwe wijn, zouden de we elkaar en Hem dan niet herkennen? De dicipelen in iedergeval wel……

Mat 26:26 En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
Mat 26:27 En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit;
Mat 26:28 Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.
Mat 26:29 En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik MET U dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.

Beantwoord door:

Deel dit op:

Meer vragen en antwoorden:

Ook een vraag?

Mag ook een andere naam of gebruikersnaam die anoniem is.
Zodra de vraag online staat, sturen wij een e-mail. Heb je geen e-mailadres ingevuld? Houd dan onze website en socials in de gaten.